Lodewijk De Vocht

De Koninklijke Chorale Caecilia dankt haar ontstaan aan Lodewijk De Vocht. In 1916 vormde hij het dameskoor Constance Teichman om tot het gemengd koor Chorale Caecilia.

Door een reeks opgemerkte uitvoeringen kreeg dit koor, oorspronkelijk als een a capella-koor gestart, een grote nationale en zelfs internationale faam. Naast de grote klassieke werken kwamen ook moderne werken van o.a. Strawinsky, Honegger, Milhaud, Kodaly en Schmitt ruim aan bod. In 1940 bracht de Chorale de Belgische première van Jeanne au Bûcher van Honegger, waarvan tevens een plaatopname werd gemaakt. Tussen 1927 en 1968 werd jaarlijks de Mattheus-Passion van Bach gebracht.

Op zijn 80e verjaardag, en na ruim 50 jaar de leiding van het koor te hebben gevoerd, besloot Lodewijk De Vocht de dirigeerstok neer te leggen. De ontbinding van de roemrijke Chorale, die daarmee in 1968 gepaard ging, schiep een grote leemte in de Antwerpse en Vlaamse muziekwereld.

Een groot aantal van de toen zingende leden wenste de traditie verder te zetten en besloot een nieuwe vereniging op te richten met de naam "Nieuw Ceciliakoor Antwerpen". Dank zij de geestdriftige inzet van de leden en de bekwame leiding van Frits Celis volgde reeds onmiddellijk een drukke periode met uitvoeringen van Elias van Mendelssohn, Psalm XLVII van Schmitt, optredens voor radio en televisie, in de opera's van Antwerpen en Brussel en in vele andere steden, waardoor de faam van het koor snel gevestigd werd.

In 1971 gaf Frits Celis de leiding van het koor over aan zijn collega Frans Dubois die tot eind 2001 bleef. Onder zijn leiding ging de ontwikkeling van de Chorale in stijgende lijn verder met een aantal buitengewone prestaties, waaronder de Belgische première van "Der Tod Jesu" van C.H. Graun, en de eveneens Belgische première met plaatopname voor het Franse label Arion van “De zeven kruiswoorden” van C. Gounod.

De jaarlijkse uitvoering van de Johannes-Passion van J.S. Bach in de Vlaamse Opera werd snel één van de hoogtepunten in het Antwerpse muziekleven. Het koor werkte ook veelvuldig mee aan grote operaproducties.

Na tien jaar intensieve werking en na opnieuw een plaats aan de top te hebben veroverd met meer dan 130 zangers, nam het koor terug de vertrouwde naam Chorale Caecilia en in 1988 de naam Koninklijke Chorale Caecilia aan.

Het seizoen 1990-1991 stond volledig in het teken van het 75- jarig bestaan van de Chorale. De viering werd afgesloten met een massaal bijgewoonde uitvoering van "Ein Deutsches Requiem" van J. Brahms in de Handelsbeurs van Antwerpen.
Verdere hoogtepunten waren de kerstconcerten op de luchthaven van Antwerpen waarvan één met het symfonieorkest van Avignon met in première voor België de uitvoering van het kerstoratorium van Gilbert Bécaud.
Sinds 1990 werkt de Chorale ook veelvuldig mee aan de massaal bijgewoonde orkestmissen in de Antwerpse Sint Pauluskerk en het jaarlijks terugkerende requiemconcert op 2 november (Allerzielen), in dezelfde kerk.

Sinds 2002 wordt de Chorale Caecilia geleid door Paul Dinneweth, die resoluut kiest voor een nieuwe aanpak en dynamiek. Dit resulteert in de eerste plaats in een breed en uitdagend repertoire: die Schöpfung (Haydn), diverse Requiems (Mozart, Brahms, Duruflé, Lloyd-Webber), le Roi David (Honegger), Mirror of Perfection (Blackford), Matthaüspassion (Bach), Carmina Burana (Orff),...

Ook wordt gestart met een systematische vocale scholing en stemscreening, onder begeleiding van Kristien Vercammen, wordt er een jonge en competente repetitor aangetrokken (Peter Maus) en wordt er via projectwerking aan ledenwerving gedaan waardoor het koor terug op een volwaardige oratoriumbezetting kan bogen.

Tenslotte waait er een frisse dynamiek en positieve sfeer doorheen "de Chorale" dankzij de organisatie van koorweekends, open repetities, samenwerking met andere koren, buitenlandse projecten (Windsor (GB), Parijs (Fr).

In de aanloop naar het 100-jarig jubileum wil de Chorale Caecilia nadenken over de rol en betekenis van een volwaardig amateur-oratoriumkoor, zowel binnen de Antwerpse regio als daarbuiten. Het wordt een uitdagende oefening in het behouden van een stevige traditie naast het creëren van nieuwe impulsen op vlak van koorvorming, ledenwerving en verjonging, repertorium en uitstraling.